uitgelicht
collectie-
stuk
Blog 81 Pandemie in Oostburg
Auteur(s) op 11 november 2020
Trefwoord(en) ,
Discipline(s) ,

Terug naar overzicht blogs

In de Downloads, een subtab van de Schatkamer, zijn deze maand twee nieuwe toevoegingen geplaatst, namelijk alle rederijkersinformatie van Aardenburg, die we tot nu toe gevonden hebben en een nieuwe versie van Axel met enkele uitbreidingen van de gegevens.

————————————–

Oostburg 1617

Het archief van de gemeente Sluis, gevestigd te Oostburg, en de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen bereiden bronnenpublicaties voor van de steden in West-Zeeuws-Vlaanderen. De eerste stad die bewerkt wordt, is Oostburg over de jaren 1604-1648. De Werkgroep Rederijkers Zeeuws-Vlaanderen werkt mee aan dit project. En de volgende aparte extra keur werd opgesteld los van de gebruikelijke keuren (verordeningen) in een stad. Het betrof dan ook een uitzonderlijke situatie.

Op 16 augustus 1617 vaardigde de magistraat van Oostburg de volgende keuren uit:

Keuren, overmits de groote plaege van de

contagieuse siecte die God almachtich gelie[fde]

over de stede van Oostburch te senden

De keuren werden uitgevaardigd door de burgemeesters en de schepenen, de baljuw liet verstek gaan vanwege zijn ziekte, waarschijnlijk de contagieuse (besmettelijke) ziekte uit de aanhef, die niet minder dan de pest blijkt te zijn. Welke ordonnanties vaardigden zij uit om de ziekte onder controle te krijgen? Hier en daar zijn er opvallende parallellen te zien met onze huidige coronamaatregelen.

Eerst van de varckens ende honden. Het was niet toegestaan om de varkens en de honden vrij rond te laten lopen. Ze mochten alleen gehouden worden op de eigen binnenplaats. Zo niet, dan kreeg men een boete van 10 schellingen Vlaems, waarvan de helft bestemd was voor de officier en de andere helft voor de armen.

In een huis waar de pest heerste en zeker wanneer er iemand gestorven was, moest men 6 weken in quarantaine thuis verblijven. De boete bedroeg 1 pond Vlaems bij elke overtreding. In geval van ondernemers, zoals biertappers, winkeliers en visverkopers betekende een herhaalde overtreding dat men uit de stad en omgeving werd verbannen.

Het was trouwens sowieso verboden om nog haring of vis in het openbaar te verkopen. Dat mocht alleen nog vanuit huis. Het was verboden om pekel of sop op straat uit te gieten , dat moest in een put achter het huis. Bij de eerste keer overtreding bedroeg de boete 10 schellingen, bij de twee keer werd men verbannen. Hetzelfde gold voor de handel in fruit, zoals appels, peren en pruimen die als zeer besmettelijk werden beschouwd.

De keuren over de strobundel en de kar voor de deur

In huizen waar de pest heerste diende men een bundel stro aan de deurpost te bevestigen en de ramen aan de straatkant gesloten te houden. Na een overlijden diende men gedurende 6 weken een kar voor de voordeur te plaatsen. De sanctie was als hiervoor.

Waar de pest had geheerst was het niet toegestaan om met anderen bijeen te komen, niet binnen de stad en niet erbuiten. Ook op straat diende men anderen (de gezonde mensen) zoveel mogelijk te vermijden en het was eveneens beter om kinderen niet buiten te laten spelen met andere gezonde kinderen. De boete was 5 schellingen Vlaems.

Bedstro en ander afval mocht niet meer op de stadsbelt gedeponeerd worden en vuile kleding van pestlijders mocht niet gewassen worden gezien het besmettingsgevaar voor de medeburgers.

Na het opstellen werd er geen persconferentie gegeven, maar las de griffier de bepalingen voor aan de burgemeester en de schepenen. Het voorlezen gebeurde bij het affluyden vande ordinaris clocxken.

Geplaatst door Jan van Loo op 11 november 2020.

Terug naar Rederijkers in Zeeland

Geef een reactie