uitgelicht
collectie-
stuk
Blog 73 Jeronimus van der Voort
Auteur(s) op 9 december 2019
Trefwoord(en) ,
Discipline(s) ,

Terug naar overzicht blogs

Het leven en sterven ben ick genaemt

In het Repertorium Rederijkerskamers lezen we bij Vlissingen over de literaire productie het volgende: ‘Vlissingen, Acolye. Pieter Verhagen, Dordrecht 1597. 4o. [niet in Meertens [1], zie Schotel II, 62 [2]]’ Vervolgens wordt het titelblad geciteerd:

Het leven en sterven ben ick genaemt,
want wy moeten al sterven om namaels te leven,
dat beyde te weten elck een wel betaemt,
wat oock leven en doot is, wort hier beschreven,
schriftuerlyck en philosooplyck gedreven,
met d’oorsaeck waerom ons de doot coemt aent boort,
die hier en namaels sal worden beseven:
leest wel en verstaet, incorporeert Gods woort,
opdat ghy hier gaet In deuchden Voort.

(… ) Tot Dordrecht. Ghedruct by my Pieter Verhaghen, woonende in de Druckerye, Anno 1597. [3]

De auteur

Men zal tevergeefs zoeken naar de naam van de auteur, maar zijn devies In deuchden Voort staat op het titelblad. In Den Autheur tot de Ouerheyt lezen we onder andere dat hij heeft moeten vluchten uit Antwerpen en Lier en dat hij in Antwerpen factor is geweest van ’t Goutbloemken en dat hij thans verbonden is aan de Acoleyken uit Vlissingen. Deze en andere feiten maken duidelijk dat het onmiskenbaar gaat om Jeronimus van der Voort. Eventuele twijfel wordt volledig weggenomen door het acrostichon aan het eind van dit werkje. Daar staan drie strofen bestaande uit 20 versregels, waarvan de beginletters van elke regel van boven naar beneden de naam IERONIMVS VANDER VOORT vormen.

 

 

 

Verschillende drukken en drukkers

Met de gegevens uit het citaat van het Repertorium verwacht je snel iets over dit boek te kunnen vinden. De verrassing is echter dat je in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) bij drukker Peter of Pieter Verhagen 132 treffers vindt, maar Het leven en sterven ben ick genaemt ontbreekt daarbij! [4] Gelukkig brengt de DBNL redding, waarbij blijkt dat er gebruik gemaakt is van een exemplaar uit de universiteitsbibliotheek van Leiden. [5] Het betreft inderdaad een druk van Verhaghen te Dordrecht uit 1597.  Het is deze druk die Meertens voor zijn bespreking  gebruikt, maar hij heeft het zelfs over vier drukken en verwijst daarbij naar de Bibliotheca Belgica, [6] een bibliografie van alle boeken gedrukt in Vlaanderen en Nederland in de 15e en 16e eeuw. Behalve dit exemplaar van de druk uit 1597 in Dordrecht bestaat er nog een andere editie van Verhaghen uit Dordrecht  zonder jaartal. Eveneens in 1597 verscheen er een druk in Rotterdam bij Dierc Mullem. Dit is een herdruk van die van Dordrecht uit 1597. En ook Mullem verzorgde nog een uitgave zonder jaartal. [7]

Samenvatting Meertens

Behalve een samenvatting geeft Meertens ook zijn visie op dit werk en op Jeronimus van der Voort. [8]

‘(…) op Bijbelse gronden nog eenmaal aantonen ‘hoe ellendich hier is des menschen habitatie.’

Deze belofte loste hij [Jeronimus van der Voort] in Vlissingen in met een onder de enigszins vreemde titel ‘Het leven en sterven ben ick genaemt’ (1597?) verschenen rijmwerk, waarin hij, naar middeleeuwse trant, in de vorm van een visioen zijn gedachten en overdenkingen meedeelde.
Op een wandeling langs de zeedijk buiten Vlissingen zint hij over de ijdelheid van het menselijk leven. De zee, met haar eeuwige eb en vloed, blijft hoe ook opgezweept door de stormen, steeds dezelfde, maar de mens wordt geboren in weedom en scheidt met pijn.
Aldus in gepeinzen verzonken bevindt hij zich plotseling voor een woud, waar hij intreedt en terstond een zwarte vrouw aan zijn zijde vindt, die hem uitnodigt in haar paleis te komen. Het is moeder Aarde, uit wie alle stervelingen geboren worden en die al haar kinderen na hun dood weer tot zich neemt. Maar een jonge nimf, symbool der blijde jeugd, neemt hem bij de hand en leidt hem voort, over bergen en valleien, naar haar zusters die aan de rand van de Helicon zitten en de stervelingen tot vreugde opwekken. Te zeer heeft hem echter de gedachte aan ’s levens broosheid aangegrepen, dan dat hij in haar gezelschap behagen kan scheppen; hij neemt afscheid en zet zich, ver van haar, op een duintop neer.
Daar komen tot de in gedachten verzonken dichter de drie schikgodinnen, en haar aanblik doet hem verder peinzen over het raadsel van leven en dood, de ellende van het bestaan, de vergankelijkheid van alles wat de mens op aarde bezit, het zorgvolle leven van de groten der aarde, de ontoereikendheid van alle kunsten en wetenschappen. En de enige troost in deze ellende is de dood, die ons leidt tot een hoger en gelukzaliger leven, de dood die de veilige haven is tegen ’s leven woeste stormen. De hemel is ons vaderland, het aardse leven slechts een ballingschap, en wie dit verstaat moet de dood niet vrezen, maar liefhebben, wetende dat hij een einde maakt aan zijn lijden.
De zon gaat schuil en de maan komt op, maar als de dichter opstaat om huiswaarts te keren, komt Mercurius tot hem, en toont hem in een gezicht, hoe de zielen der afgestorvenen in de Lethestroom al de ellende van hun aardse bestaan vergeten. Hij vermaant hem, ook indachtig te zijn aan de dood die eeuwig zal duren, en dit brengt de wandelaar tot nieuwe en andere overpeinzingen. De mens moet wedergeboren worden, wil hij de hemelse zaligheid beërven, maar waar vindt men er die zo zijn? De boeren zijn er op uit om hun koren te oogsten en akkers te kopen, niet om Christus te zoeken, en niet alleen aan de hoven der koningen is de zonde tot een tweede natuur geworden: overal is de mensheid verdorven. In een droomgezicht aanschouwt hij de hel, met zijn Danteske verschrikkingen, en als hij ontwaakt is, keert hij naar de stad terug, vervuld van alles wat hij gezien heeft, en overpeinzend hoe de zondige mens deze straf zal mogen ontgaan.

Voor de kennis van Van der Voorts denkbeelden en gedachteleven is dit laatste geschrift, het werk van zijn ouderdom, het belangrijkst. Al is hier (…) de Heilige Schrift de hoofdbron voor zijn filosofische overpeinzingen, naast deze neemt ook Seneca een belangrijke plaats in zijn gedachten in, en de denkbeelden die hij er ontwikkelt zijn ook hier meermalen aan de Antieken ontleend. In Van der Voort leeft iets van de Stoïcijn, die leven en dood beide aanvaardt als onvermijdelijk. Wanneer we de dood vrezen, is dat omdat we niet begrijpen wat zijn bedoeling is; weten we dit, dan is alle reden tot vrees vervallen. Anders dan bij de middeleeuwers heeft voor hem de onrust van het zieleleven groter betekenis dan de broosheid van het lichaam.
Wat is het leven? Van der Voort kon het, na zoveel lotgevallen, niet anders zien dan zijn tijd- en lotgenoten het zagen: een bron van eeuwige onrust. Met Tauler [9] ziet hij de mens, uit het niet geschapen, steeds weer terugverlangen naar zijn oorsprong, d.i. de zonde, de moeder van de dood. Maar hoe geheel anders weer dan bij de middeleeuwers is zijn beschouwing van de dood, die hem niet vreesaanjagend en verschrikkelijk, maar in tegendeel liefelijk voorkomt: Gods knecht, die de moede wandelaar aan het eind van zijn reis de schoenen ontbindt.

Bronnen

[1] Meertens P.J., Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw, Amsterdam 1943. Hij bespreekt het werk wel degelijk: pp. 91-93.
[2] Schotel, G.D.J., Geschiedenis der Rederijkers in Nederland, deel 2, Amsterdam 1864, p. 62.
[3] Klik hier voor het citaat in het repertorium.
[4] Zie Pieter Verhaghen in de STCN.
[5] De volledige tekst is hier te downloaden. De signatuur is UBL 1203 H 31. De vermelding van dit exemplaar ontbreekt in de STCN.
[6] Meertens a.w., noot 148 (noot 1 begint op p. 130) Behalve de druk van Peeter Verhaghen, Dordrecht 1597 onderscheidt hij Dordrecht, z.j.; Rotterdam, 1597; Rotterdam, z.j. met een verwijzing naar de Bibliotheca Belgica, het deel met de index: VO 48-50.
[7] Bibliotheca Belgica. Bibliographie générale des Pays-Bas, par le bibliothécaire en chef et les conservateurs de la bibliothèque de l’université de Gand. Première série, Tome XXVI (VLA-ZWO), Gand- La Haye, 1880-1890, s.v. VOORT (Jérôme vander). De drukken uit Rotterdam staan ook vermeld in de STCN. De afgebeelde titelpagina’s zijn respectievelijk Dordrecht 1597 bij Peeter Verhaghen en Rotterdam zonder jaartal bij Dierc Mullem.
[8] Meertens a.w. pp. 91-93. In het hier weergegeven citaat van zijn samenvatting en visie zijn de noten en de citaten uit Het leven en sterven ben ick genaemt weggelaten.
[9] Johannes Tauler ca. 1300-1361, mysticus en dominicaan te Straatsburg. Prediker bekend om zin preken in de zusterkloosters van Straatsburg.

Geplaatst door Jan van Loo op 9 december 2019.

Terug naar Rederijkers in Zeeland

Geef een reactie