uitgelicht
collectie-
stuk
Blog 60 Waar haalde de duivel zijn zout?
Auteur(s) op 12 augustus 2018
Trefwoord(en)
Discipline(s) ,

Terug naar overzicht blogs

In 1927 presenteert Jan Gessler de vondst van een viertal fragmenten van een Limburgs Antichristspel (het Maastrichts Paasspel), aangetroffen in de rug van een boekband in Luik. [1] Het handschrift, de gebruikte taal en het aangetroffen watermerk leiden tot een datering van rond 1430. [2] Een van de fragmenten verdient onze speciale aandacht.

Fragment C gaat over een gesprek tussen een aantal duivels: Raepallop, Lichtvoet en Berit met hun baas Lucifer. Ze hebben een flinke hoeveelheid verse zielen bijeen vergaard en staan te delibereren over wat ze ermee aan moeten, het zijn er teveel en ze zijn te zwaar en zullen dus met een wagen vervoerd moeten worden. Het grootste probleem is echter, hoe houd je ze vers? Dus vraagt Berit aan Lucifer waar ze zoveel zout kunnen vinden om alle zielen mee te behandelen. Het zou zonde zijn als ze zouden bederven.

BERIT tot Lucifer

Meester, ic pense menichfout,
Waer ons sal comen al dat sout,
Daer wi sullen mede moghen
Souten onse proye, of si en sal niet doghen.
En soutmen se niet, si sou vermaden,
En trouwen dat sou ons allen scaden.

LUCIFER tot Berit

Vrent, du segghes en trouwen waer:
Loopt hierbi te Stochem naer,
Daer vintmens dyweyle ghenoech;
Ende en vinstus daer niet, diet ghevoech,
So loep daerbi te Biervliet,
Daer en machstuns missen niet.
Ende brenghes also vele te male,
Als wi behoven, dat wil ic wale. [3]

Lucifer is het daarmee eens en zijn oplossing is om naar Stokkem (indertijd een vissersplaats aan de Maas) te gaan, daar is meestal wel voldoende zout te krijgen en mocht dat niet het geval zijn, ga dan naar Biervliet, daar slaag je zeker en kun je zoveel inslaan als er nodig is. En hiermee eindigt de humoristische vergelijking van het vers houden van de menselijke ziel met het vers houden van haring.

Voor Gessler is deze vergelijking helder: Biervliet moet een verwijzing zijn naar Willem Beukelszoon, de uitvinder van het haring kaken. [4] En Herman Pleij die in diverse artikelen over dit antichristspel schrijft, herhaalt deze visie telkenmale. Hij ziet hem als een eigentijdse grap die het publiek onmiddellijk begreep. [5]

Schildering in de kerkglazen te Biervliet.  (Rijksmuseum RP-P-OB-78.237).

Maar de vraag is: “Wat begrepen ze dan?” De grap gaat namelijk niet over haring kaken, maar over het zouten van vis en zielen. De zielen hoeven slechts vers gehouden te worden en er hoeft niets bij ze te worden verwijderd. Bovendien kun je je afvragen of de mensen in Maastricht rond 1430 op de hoogte waren van het verhaal rond Willem Beukel die al decennia eerder overleden was. Daarbij komt nog dat deze legendarische geschiedenis handelt over de uitvinding van het haring kaken en niet over de aanwezigheid van (veel) zout in Biervliet. Kortom: er is waarschijnlijk geen sprake van een allusie op de persoon Willem Beukel.

Waarop wordt dan wel een toespeling gemaakt, die het publiek direct begreep? Dat antwoord vinden we bij Adrie de Kraker: “Biervliet is eeuwenlang het zoutcentrum van Vlaanderen geweest. De gunstige ligging van de stad aan de Westerschelde en vlakbij de uitgestrekte moeren leidde tot visserij en handel in zout” en “Biervliet verwierf in 1439 een soort monopoliepositie in Noord-Vlaanderen voor wat de zoutproductie betreft.” [6] Eenvoudig gezegd: als je nergens meer zout kon krijgen, kon je altijd nog terecht in Biervliet, daar was zout in overvloed. [7] Dat was niet alleen bekend bij de toeschouwers van het spel, maar ook bij Lucifer. Vanwege de ontbrekende tekstdelen zullen we echter nooit weten of hij of zijn trawanten daadwerkelijk naar Biervliet zijn getogen om zout in te slaan.

Bronnen

[1] J. Gessler, ‘Fragmenten van een Limburgsch Antichrist-spel uit de XVe eeuw’, in: Album opgedragen aan J. Vercoullie, Brussel 1927, 137-146.
[2] Ibidem 137.
[3] Ibidem 145.
[4] Ibidem 139, noot 1.
[5] Herman Pleij, ‘Over regels en betekenissen in de middeleeuwse literatuur’, in: Literatuur 1 (1984), 87-88; Herman Pleij, ‘Duivels in de Middelnederlandse literatuur’, in: Gerard Rooijakkers e.a. (red.), Duivelsbeelden. Een cultuurhistorische speurtocht door de Lage Landen Baarn 1994, 94-95; Herman Pleij, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560 Amsterdam 2007, 138.
[6] Adrie de Kraker, Landschap en bewoning van Zeeuws-Vlaanderen, Terneuzen 2017, 139-140.
[7] De stadsrekeningen van Biervliet bevatten veel informatie in verband met de zoutziederijen: rechten betaald op het aantal schouwen, idem per zak zout, opmeten zoutproductie, over zelle-as en over wachterslijsten voor de bewaking van de zoutketen enz. Over de periode 1404-1517 zijn maar liefst 86 rekeningen bewaard gebleven in het rijksarchief te Brussel (Toegang I 008, nrs. 32061-32147).

Geplaatst door Jan van Loo op 12 augustus 2018.

Terug naar Rederijkers in Zeeland

Geef een reactie