uitgelicht
collectie-
stuk
Blog 106 Een jaartalvers in Baarland 1592

Terug naar overzicht blogs

Soms vind je wat je niet zocht. Op zoek naar gegevens over Kruiningen in de 16e eeuw namen we een boek door dat daar misschien iets over zegt. En wat we vonden is een gedichtje in een Baarlands schepenakteboek. Meteen herinnerden we ons dat Frank de Klerk van het Gemeentearchief Goes ooit vertelde dat hij eens een Baarlands rederijkersgedichtje onder ogen had gehad. Hij wist spijtig genoeg niet meer waar hij dat had gezien. En in dit boek van Dekker en Baetens over dijkherstel op Zuid-Beveland in de 16e eeuw, stond het nu zomaar afgedrukt, met vermelding van de vindplaats.[1] Het zijn slechts vier regeltjes, maar ze zijn het eerste en enige letterkundige werk dat we tot dusver uit Baarland hebben gezien. Het is overduidelijk 16e-eeuws en het zou inderdaad rederijkerswerk kunnen zijn.

De vindplaats die Dekker en Baetens vermelden (ZA, RAZE, nr. 2467), blijkt niet meer te kloppen: het bewuste schepenakteboek is overdragen aan het Gemeentearchief Borsele.[2] Het gedichtje staat op de voorpagina, in het midden van het folium. Rechtsboven staat beschreven wat voor boek het is:

Regijsterbouck van alle de Rechtplegingen
ouer de Parochien en[de] Heerlicheijt
van Baerlandt, en[de] Baeckendorp.
beginnen[de] van Paesschen A[nn]o 1592.
A[nn]o 1592

Het gedichtje in het midden van het folium blijkt meer te behelzen dan Dekker en Baetens ons ervan lieten zien; er staat een titel boven en eronder staat ook nog iets wonderlijks.

Incarnatie van Ponciaens vloet

Op Sinte Poncıaene avont, wılt hıer naer hooren,
Es dese landen zoo grooten wonder gheschıet:
Eheen3 menschen en esser levende gheboren,
Dıe vanden vloet heeft ghehoort, zoo grooten verdrıet.

15:52

M c, c, c, l, l, l, l, v, vv, vv, v, v, v, v, ı – ı – ı – ı – ı – ı – ı –

 

De schrijver benoemt zijn gedicht als een Incarnatie van Ponciaens vloet. Het woord incarnatie is vooral bekend in de betekenis van vleeswording, meer specifiek de menswording van God in Jezus. Hier betekent het iets heel anders, namelijk jaartalvers.[4] Dat kan blijkt uit de letterreeks die onder het gedichtje is opgeschreven. Dat zijn allemaal letters die in het Latijn een getalwaarde vertegenwoordigen: ı = 1, v = 5, vv = 10, l = 50, c = 100, m = 1000. De letterreeks toont hoe vaak elk van die letters in het gedicht voorkomt: 1x m, 3x c, 4x l, 2x vv, 5x v, 7x ı. Tellen we die getallen op: 1000 + 300 + 200 + 20 + 25 + 7, dan komen we uit op 1552. Dat is dan het jaartal dat het gedicht in het licht wil stellen. Het is een soort herdenking van de Sint Pontiaansvloed, die plaatsvond in januari 1552.
Gebruikelijk bij jaartalverzen en andere chronogrammen is dat de letters die het jaartal vormen in hoofdletters worden weergegeven, ook als ze midden in een woord staan.[5] Dat is in het Baarlandse gedicht niet het geval, alle jaartalletters zijn kleine letters.[6] Daardoor is aan het gedicht zelf, dus afgezien van de titel, niet te zien dat het een jaartalvers is. Dat verklaart wellicht waarom de schrijver het nodig vond de letterreeks eronder te schrijven.
Die weergave met kleine letters veroorzaakt weer een andere afwijking van de normale gang van zaken, namelijk de weergave van de letter -i-. Als hoofdletter geeft die ondubbelzinnig het getal 1 weer, maar als kleine letter staat er een puntje op, wat zijn getalwaarde van 1 onduidelijk maakt. Het lijkt erop dat de schrijver dat heeft willen oplossen door de puntjes op de i’s weg te laten. In een geval niet: de eerste -i- in het gedicht, in het woord Sinte, heeft wel een puntje.
Nog een bijzonderheid aan dit gedichtje: voor het getal 10 gebruikt de schrijver niet de gebruikelijke x, die is in een gedicht immers niet erg bruikbaar. In plaats daarvan neemt hij de dubbele v. Die wordt in handschriften vaak gebruikt als de letter w, zo dus ook hier.
Ter verduidelijking en als controle schrijven we het gedichtje nog een keer over, met de getalletters in kleur. We tellen inderdaad 1 m, 3 c’s, 4 l’en, 5 v’s, 2 w’s, 1 i en 6 ı’en.

Op Sinte Ponaene avont, wılt hıer naer hooren,
Es dese landen zoo grooten wonder gheschıet:
Eheen menschen en esser levende gheboren,
Dıe vanden vloet heeft ghehoort, zoo grooten verdrıet.

Het gedichtje roept de Pontiaansvloed in herinnering. Die kreeg die naam omdat hij plaatsvond op de dag voor Pontiaansdag, op Sinte Ponciaene avont dus, 13 januari 1552. De schade van deze stormvloed viel in de omgeving van Baarland mee. Er was overal veel schade aan dijken, maar er was weinig overstroomd. De polders van Stuivezand inundeerden en nog een enkele polder bij ’s-Gravenpolder en bij ’s-Heer Arendskerke. Toch schijnt hij op de bewoners van Zuid-Beveland diepe indruk te hebben gemaakt: in Goes werd een paar dagen erna een processie gehouden.[7] Hierbij speelde misschien ook mee dat de verwoestende stormvloeden van 1530 en 1532, waarbij grote delen van Noord-Beveland en van oostelijk Zuid-Beveland voor lange tijd verloren waren gegaan, nog min of meer vers in het geheugen lagen.[8]
Ook dit tekstje vertelt nog veertig jaar nadien van het grote verdriet dat die vloed heeft veroorzaakt. En het zegt in de derde regel  bovendien: het is een gebeurtenis waar iedereen die ‘nu’ leeft van heeft gehoord. In de tweede regel treft de moderne lezer, misschien tot zijn verwondering, het woord wonder aan. Dat woord zouden wij in de context van een natuurramp niet gebruiken. De 16e-eeuwer wel. Die gebruikte dit woord niet, zoals wij nu, uitsluitend voor onverklaarbare verschijnselen of voor zeer positieve verrassingen, maar ook voor gebeurtenissen die grote indruk maken en verbazing en verwondering opwekken.[9] Het woord wordt bijvoorbeeld in de kroniek van Reygersberch gebruikt in natuurfilosofische zin: hij benoemt natuurverschijnselen als vreemdicheydts ende wonders.[10] De moderne lezer zal zich wellicht ook storen aan de stoplap in de eerste regel: wilt hier naer horen: een gemakzuchtig trucje om een regel vol te krijgen. Deze kennen we uit het werk van meerdere laatmiddeleeuwse vertellers en vertalers, die van Karel ende Elegast gebruikt hem al in zijn tweede regel. Dat de maker van dit jaartalvers hem gebruikt, doet dus vermoeden dat hij een ontwikkeld en belezen man was.[11] Een 16e-eeuwse lezer waardeerde zo’n stoplap anders dan wij nu. Die zag het eerder als een vertrouwde frase, die hij vaker had gezien of gehoord. De 16e-eeuwer was minder dan wij uit op originaliteit, veel meer op vernuft. En vernuftig is een jaartalvers zeker.

We kunnen ons afvragen of een gedichtje als dit misschien door een rederijker is geschreven. Het is immers een vernuftig vers – een jaartalvers kan men zich goed voorstellen in kringen waar veel knutselvormen werden bedacht.[12] Het is gemaakt tussen 1552 en 1592, een periode waarin rederijkers actief waren op Zuid-Beveland. Het duikt weliswaar op in een Baarlands schepenboek, maar dat het ook in Baarland of door een inwoner van Baarland gemaakt is, is daarmee geen uitgemaakte zaak. Mogelijk is het wel. Van Baarland is tot op heden niet bekend dat er een rederijkerskamer was, maar dat kan heel goed het geval zijn geweest. Het was immers een dorp met aanzien in de regio, een heerlijkheid die bestuurd werd door een adellijk geslacht. Er was ooit een kasteel Hellenburg, dat rond 1600 tot ruïne verviel én er was het nu nog deels aanwezige Slot Baarland. Het had zijn eigen schepenbank. Het kende dus een geïnstitutionaliseerd bestuur en administratie en was dus bepaald geen onnozele nederzetting van ongeletterde boeren. Ook in naburige heerlijkheden als ’s-Gravenpolder, Nisse, Kapelle en Kloetinge waren rederijkerskamers. Zo’n kamer kan ook in Baarland zeker bestaan hebben.

Intussen hebben we geen idee wie dit gedichtje maakte. De secretaris van de schepenbank? Of schreef die het over van iemand anders? Is het gemaakt in 1552 of pas in 1592? Ergens daar tussenin misschien? Dekker en Baetens schrijven dat de secretaris van de schepenbank ‘het zal hebben overgenomen uit een ouder, thans niet meer aanwezig register’, maar dat is niet meer dan een veronderstelling.[13]
Als we nog eens inzoomen op dat eerste folium van het schepenakteboek zien we dat het gedichtje met titel en cijferreeks in een ander handschrift is geschreven en met inkt die meer verbleekt is dan die van de tekst bovenaan. Het kan dus ook door iemand anders dan die secretaris zijn opgeschreven en ook op een ander moment dan bij de ingebruikneming van het schepenakteboek. Dát het hier, in dit boek, is op- of overgeschreven op de voorpagina duidt er wel op dat de Pontiaansvloed veertig of meer jaren na dato herinnerd en herdacht werd.
Het is maar een klein werkje van letterkunde, dat ons iets duidelijk maakt over de collectieve herinnering aan een stormvloed. In dat opzicht past het prima in de memoriecultuur die halverwege de 16e eeuw ontstond. In een leefwereld die altijd bedreigd werd door stormvloeden, stadsbranden, epidemieën en andere rampen en die daardoor voortdurend veranderde, werd het herdenken van die gebeurtenissen en hun slachtoffers belangrijk geacht, ook met de bedoeling ervan te leren.[14]En het gedichtje geeft ook wel iets prijs over literair leven op 16e-eeuws Zuid-Beveland, maar zo klein als het is, stelt het ons ook veel vragen waarop we vooralsnog alleen met vermoedens en mogelijkheden kunnen antwoorden.


Bram le Clercq
Ko Dek

Noten

[1] Cornelis Dekker en Roland Baetens, Geld in het water; Antwerps en Mechels kapitaal in Zuid-Beveland na de stormvloeden in de 16e eeuw; Hilversum 2010, 176-177.
[2] Gemeentearchief Borsele, Schepenakteboek 1592-1601, deel I: 1592-1599, inv.nr. 2467.
[3] Het woord Eheen is in de historische woordenboeken en grammatica’s onbekend. Op deze plaats en in deze context is Egheen te verwachten, een vormvariant van negheen (= geen). Het ontbreken van de -g- is ofwel een overschrijffout of een voorbeeld van de g/h-wisseling die in Zeeuwse dialecten vrijwel algemeen is.
[4] Andere termen die als synoniem gelden voor het jaartalvers zijn: chronogram, tijdvers en carnatioen. Zie https://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01_01/bork001lett01_01_0004.php#c057.
[5] Een chronogram is lang niet altijd een gedicht. Het chronogram komt ook voor in bijvoorbeeld gevelstenen en herdenkingsplaquettes op monumenten en standbeelden. In dichtvorm heet het jaartal- of tijdvers, of incarnatie dan wel carnatioen.
[6] We vermijden liever de termen ‘kapitaal’ en ‘onderkast’. Het gaat hier immers om een handschrift.
[7]Dekker en Baetens, 177-178.
[8]De kaart is in 1542 gemaakt door Cornelis van Zurendock. Zie Aad de Klerk,  De oude kaarten van Zeeland. Stad en dorp, land en water in vier eeuwen cartografie; Zwolle 2015, 16.
[9]Zie bijvoorbeeld het Middelnederlands Woordenboek: (https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=VMNW&id=ID11640&lemma=wonder&domein=0&conc=true). Of het Woordenboek der Nederlandse Taal: https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=MNW&id=74327&lemma=wonder&domein=0&conc=true.
[10]Arjan van Dixhoorn, De metamorfosen van Zeeland; Dye Cronijcke van Zeelandt (1551) als filosofisch traktaat; Internationale Neerlandistiek  55, 2017, 99.
[11]Het bijhouden van schepenakteboeken was in de 16e eeuw een aangelegenheid van mannen. Het schrijven van vernuftige gedichtjes ook, maar er zijn enkele, zeer schaarse voorbeelden van vrouwen die dat ook deden.
[12]Zie voor voorbeelden van zulke dichtvormen het Algemeen Letterkundig Lexicon, onderdeel van DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/index.php.
[13]Dekker en Baetens, 176-177.
[14]Over memoriecultuur in Zeeuws (en rederijkers)perspectief: Van Dixhoorn, De metamorfosen, 91-114. En: Arjan van Dixhoorn, Doodsklacht op paneel. Memorie in lokale devotie en filosofie rond 1555; Spiegel der Letteren 59, 2017, 203-230.


Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of wilt u informatie over of meedoen met de projectgroep Rederijkers in Zeeland? Stuur dan een mailtje naar de redactie van de projectgroep: redactierederijkerszeeland@gmail.com, of neem een kijkje op onze website: https://kzgw.nl/wetenschapsplatform/rederijkers-zeeland.

Via de gratis nieuwsbrief – u hoeft geen lid te zijn van het KZGW – blijft u altijd op de hoogte van de berichten van de projectgroep Rederijkers in Zeeland. Schrijf u hier in voor de gratis nieuwsbrief van het KZGW.

Terug naar overzicht blogs