Nehalenniastenen onderzocht op herkomst steensoorten

18 maart 2016

In december 2015 en op 22 januari 2016 zijn de Nehalenniastenen van het Zeeuws Genootschap in het Zeeuws Museum onderzocht. Niet alleen de complete exemplaren, maar ook alle fragmenten zijn gedetermineerd om de gebruikte steensoorten te bepalen. Dit petrografische onderzoek werd uitgevoerd door Roland Dreesen, als geoloog o.m. verbonden geweest aan de Katholieke Universiteit van Leuven, nu werkzaam als adviseur bij de Universiteit Gent, Sven van Haelst , maritiem erfgoedonderzoeker bij het Agentschap Onroerend Erfgoed in Vlaanderen en Wim De Clercq, als hoogleraar verbonden aan de Vakgroep Archeologie van de Universiteit Gent, met als specialisme de archeologie van de historische perioden.

Onderzocht werden zowel de Nehalenniastenen, die vanaf 1647 ontdekt zijn op het strand van Domburg, alsook de laatste fragmenten van Romeinse geloftestenen, in de jaren ‘70 van de vorige eeuw opgedoken uit de Oosterschelde voor Colijnsplaat. Vanuit de Gallo-Romeinse nederzettingen langs de (Ooster) Schelde voeren schepen ‘onder Romeinse vlag’ op Engeland. Voordat ze de oversteek waagden, doneerden de handelaren altaren (votiefstenen) aan de inlandse godin Nehalennia, in de hoop op een goede afloop van hun (handels-)reis. Dit gebeurde volgens het ‘do ut des’-principe: ‘ik geef, opdat u geeft’. Deze altaren hebben sinds hun ontdekking telkens veel bekijks getrokken en zijn vanaf de 17de eeuw op diverse momenten vastgelegd door middel van tekeningen, beschrijvingen en foto’s.

IMG_2470 (600 x 450) (2)Dit werd tot nu toe voornamelijk gedaan vanuit een klassieke en kunsthistorische benadering: hoe luidt de tekst, wat is de afbeelding? Waar het materiaal vandaan kwam en wat de steensoorten waren, werd nog niet eerder diepgaand onderzocht. De laatste, en tot nu meest complete, publicatie over de Nehalenniavondsten bij Colijnsplaat stamt uit 2001 (P. Stuart en J.E. Bogaers, 2001). In 2013 schreef P. Stuart een vergelijkbare publicatie over de vondsten van Domburg. In beide publicaties worden de steensoorten summier aangeduid als kalksteen, zandsteen, kalkzandsteen en kolenkalksteen.
De studie van Dreesen, Van Haelst en De Clercq biedt ons een heel nieuwe invalshoek. Door veel nauwkeuriger vast te stellen van welke steensoorten de votiefstenen gemaakt zijn en uit welke groeves die kwamen, komen we meer te weten over de beschikbaarheid van het materiaal, de transportlijnen, de voorkeur van de schenkers, hun financiële reikwijdte en dergelijke.

Dreesen, Van Haelst en De Clercq nemen in hun onderzoek alle Nehalenniastenen mee, zowel in Zeeland als daarbuiten. In april van dit jaar zullen zij op het driedaags geologisch congres ‘Roman ornamental stone in North-Western Europe’ in het Gallo-Romeinse Museum van Tongeren een eerste verslag uitbrengen van hun bevindingen. Ze concludeerden in december al, dat dit onderzoek veel bruikbare nieuwe inzichten zal opleveren.

Aagje Feldbrugge, conservator archeologische collectie KZGW.

Stuart P., Bogaers J., 2001. Nehalennia, Römische Steindenkmäler aus der Oosterschelde bei Colijnsplaat, Collections of the National Museum of Antiquities at Leiden (CNMAL)  XI, Leiden: Rijksmuseum van Oudheden; 2 delen.
Stuart P., 2013. Nehalennia van Domburg. Geschiedenis van de stenen monumenten, Utrecht: Uitgeverij Matrijs; 2 delen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.