Jean Guépin en het KZGW

Naamlijst
Hiernaast ziet u de eerste bladzijde uit de ‘Naamlijst der Leden’ van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.1 Het is merkwaardig om als derde naam die van Jean Guépin te lezen. Merkwaardig omdat dit genootschap officieel werd erkend door de Staten Generaal op 23 maart 1769,2 terwijl uit de kolom van overlijden blijkt dat Guépin drie jaar eerder overleden is. Wat is het belang van Jean Guépin dat hij hier postuum vermeld wordt?


Oprichting (K)ZGW
Er zijn notulen uit 1769 bewaard gebleven met een terugblik over het ontstaan van Het Koninklijk Zeeuws Genootschap onder de noemer: “Rapport van de oprigting van t Genootschap door de leden van t Fransche leesgezelschap te Vlissingen.”3 De vermelde leden die eens per maand bijeen kwamen, zijn: de heren Gallandat, Guépin, Mazel, Winkelman, Isaek Hurgronje, Adriaen Isaek Hurgronje, Changuion, Justus Tjeenk. Brahé, Muller, Hageman en Daniel Chandon.4 Op 30 oktober 1765 ging het gezelschap akkoord met een voorstel van Justus Tjeenk en Jan Jacob Brahé om “op te rigten eene maatschappij van kunsten en weeten schappen, en de geleerde van dit en andre geweesten uit te lokken, om gesamentlyk de belangens van het vaderland door de uitbreyding van waerheyd en deugt met kragt en nadruk te bevorderen.” En aldus geschiedde.

Martelkroon voor de Eerste Christenkerk
Op 29 januari 1766 werd aan Guépin en Brahé, als voormalig lid van het niet meer bestaande kunstgenootschap ‘Conamur tenues grandia’5 verzocht bijdragen te leveren ten behoeve van een nog te verschijnen uitgave. Guépin levert op 26 februari 1766 het gedicht Martelkroon voor de Eerste Christenkerk “over welks Inhoud en uit Werking alle de Leeden hun bysonder genoegen betuygen.” Gezien deze omschrijving lijkt het erop dat het gedicht van 55 strofen met elk 10 versregels mogelijk volledig is voorgelezen door Guépin. Men had namelijk de gewoonte om tijdens de maandelijkse bijeenkomsten verhandelingen te houden. Van dit gedicht zijn twee versies overgeleverd.6 Waarop het veronderstelde jaartal 1750 gebaseerd is, is onduidelijk. Wel kan worden aangenomen dat handschrift 4242 de eerste en originele versie is van de Martelkroon. Dit katern van 44 pagina’s staat namelijk vol met doorhalingen, verbeteringen en probeersels. De tweede versie maakt deel uit van een verzamelhandschrift met de titel Mengelstoffen en kent geen verschrijvingen. Ook dit gedicht is geschreven in het handschrift van Guépin. Hoewel er verschillen zijn met de eerste versie zijn veel verbeteringen van de laatste verwerkt in dit afschrift.

Fragment Martelkroon (Hs. 4242) met links de eerste strofe en rechts rijmprobeersels

Inhoud Mengelstoffen

  • Het te Deum laudamus, lofzang van den heiligen Ambrosius en Augustinus uit het Fransch vertaalt (folia 1-4).
  • Lijk-Cijpres voor de Welgebore Vrouwe Maatje Verponte (folia 4-8).
  • Bacchus in Cortgene (folia 9-12).
  • Bruiloft’s lied ter bruilofte van … (folia 13-15).
  • Een berijmde A.B. (folio 16).
  • Klink-digt voor den Heer Pieter de Beaufort de Duvendijke (folio 17).
  • Klink-digt ter gelegentheid van Willem Valenski (folio 18).
  • Lammerenvliet in rouw over ’t overlijden van Adriaan de Vos + Graf-schrift (folia 19-24).
  • Afscheit’s zang aan den heere Theodoor Feltman de Beveren. (folia 25-28).
  • Geboorte-zang voor Jongkvouwe Martha Kornelia Lambrechtzen (folia 29-36).
  • Martel-kroon voor de eerste Christen kerk (folia 37-65).
  • Uitbreidinge over het 5 vers van ’t 9 Hoofddeel van Jesaia (folia 66-68).
  • Op de herbouwde Oost-kerk binnen deze stad (Vlissingen) (folio 68).

Fragmenten Mengelstoffen (Hs. 2711) met links onbekend handschrift en rechts handschrift van Jean Guépin.

De opbouw is tweeledig: het eerste gedeelte, folia 1-36, is overgeschreven door een onbekende afschrijver (afb. links), terwijl de folia 37-68 van de hand van Jean Guépin zijn (afb. rechts). Deze delen zullen aanvankelijk waarschijnlijk separaat in gebruik geweest zijn en vormen thans één katern. Mogelijk is indertijd het gedeelte met Guépins hand door hem ingeleverd bij het Genootschap. De voorgenomen uitgave is echter nooit verschenen.

Vertaling
Een laatste bijdrage aan dit gezelschap levert Guépin in op 26 maart 1766: “Eene uytbreyding der navolging Van Jesus Christus door Thomas a kempis int latyn beschreeven door Corneille in fransche Digtkunst Vervat, en door de Heer Guepin in t Neederduytsch over gebragt en aengebooden.”7 Het overgeleverde handschrift is een katern van 12 folia en het gedicht bestaat uit 311 versregels. Enige maanden later, op 15 juni 1766, komt Jean Guépin te overlijden.

Tot Slot
Dankzij bovenstaande notities is duidelijk dat het belang van Guépin gelegen is in het feit dat hij een van de medeoprichters was van het KZGW. En dankzij de bewaarde notulen zijn we enigszins op de hoogte van waarmee Guépin zich in zijn laatste maanden bezig hield. Uit zijn omvangrijke oeuvre koos hij voor twee religieuze werken uit (vermoedelijk) ca. 1750. Van belang voor ons is voorts de hoeveelheid handschriften van Guépin, waarvan het KZGW de eigenaar is. Interessant is tenslotte wanneer en hoe het Genootschap die in bezit heeft gekregen. Dat is nog onderwerp van onderzoek.


Bronnen
1. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 21, Register houdende namen van de leden, met aantekening van functie of beroep, jaar van benoeming en van bedanken of overlijden over 1768-1930, 1912-1930, folio 1.
2. Dixhoorn, Arjan van, Henk Nellen, Francien Petiet (red.): Een hoger streven. Bouwstenen voor een geschiedenis van het Zeeuws Genootschap, 1769-2019 (Archief 2019), Vlissingen 2019, 11.
3. Zeeuws Archief Middelburg, 26 Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW), 1769-1969 (c. 1985), inv.nr. 3, Notulen der vergaderingen van directeuren, van algemene vergaderingen en van de vergaderingen van het perpetueel committé, 1769-1853. Afschriften, 1769-1804, folio 4 e.v.
4. Zie voor meer informatie over genoemde genootschappen en hun leden: W.W. Mijnhardt, Tot Heil van ’t Menschdom. Culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815. Amsterdam 1988, 127-130.
5. Ibidem 127. Dit genootschap werd door Jean Guépin en Nicolaas Lambrechtsen opgericht in 1753 en bestond in 1766 niet meer.
6. Beide handschriften worden bewaard in de Zeeuwse bibliotheek te Middelburg en zijn online te raadplegen: 4242 Martelkroon – Met 55 gedichten of coupletten, [ca. 1750]. en 2711 Mengelstoffen – Gedichten, [ca. 1735-1752]..
7. 2712 Uitbreidinge der navolginge van J.C. van T a Kempis door Corneille in Fransche dichtkunst – Vertaling door Guépin van een gedicht van P. Corneille naar Thomas â Kempis (Imitatio Christi), [ca. 1750].

Reacties zijn gesloten.